Bronsgieten
Bronsgieten, de verloren was methode. Om een beeld uiteindelijk in brons te kunnen gieten, wordt gebruik gemaakt van de verloren was methode (cire perdue). Daarbij wordt eerst een model in was gemaakt, dat later volledig verdwijnt om plaats te maken voor het brons.
Van origineel naar mal. Wanneer een beeld in klei is gemaakt of wanneer het om een groter wasbeeld gaat wordt eerst een mal gemaakt. Dit is meestal een combinatie van een flexibele binnenmal (bijvoorbeeld van siliconenrubber) en een harde buitenmal van gips of kunsthars. Omdat brons veel te heet is om direct in zo’n mal te gieten, wordt er eerst een kopie van het beeld gemaakt in was. Kleine beelden worden meestal massief in was gegoten. Grote beelden worden hol opgebouwd om gewicht en materiaal te besparen.
Massief of hol werken. Bij een klein beeld wordt warme gietwas in de mal gegoten en ontstaat een massief wasmodel. Bij grotere beelden werkt het anders: De mal wordt gevuld met warme was (ongeveer 75 graden), die even blijft staan zodat er langs de wand een laagje stolt. Daarna wordt de rest van de vloeibare was eruit gegoten. Zo ontstaat een hol beeld met een wanddikte van ongeveer 3 à 4 mm. Vervolgens wordt via een opening een kern aangebracht in het beeld. Deze kern bestaat uit een mengsel van gips, chamotte en water en zorgt ervoor dat het beeld tijdens het gieten zijn vorm behoudt. Met metalen pinnetjes wordt deze kern stevig op zijn plek gehouden.
Het kanaalsysteem. Aan het wasmodel wordt daarna een kanaalsysteem bevestigd. Dit bestaat uit: een giettrechter (vaak eenvoudig gemaakt van een bekertje), gietkanalen waarlangs het brons straks naar binnen stroomt, ontluchtingskanalen waardoor lucht kan ontsnappen. Dit systeem zorgt ervoor dat het brons straks goed door de hele vorm kan vloeien.
De vuurvaste mal. Het complete wasmodel, inclusief kanalen, wordt vervolgens ingebed in een vuurvast mengsel van bijvoorbeeld gips en gemalen steen (gravel). Dit vormt een stevig blok: de uiteindelijke gietmal. Daarna gaat dit blok in een oven en wordt het langzaam verhit tot ongeveer 700–800 graden Celsius. De was smelt en loopt eruit, en eventuele resten verbranden. Wat overblijft is een holle ruimte in de vorm van het beeld. Dit is het moment waarop de “was verloren” is – vandaar de naam van de techniek.
Het gieten van het brons. De lege mal wordt daarna iets afgekoeld en vaak ingegraven in zand, zodat hij stevig staat. Alleen de gietopening blijft zichtbaar. Ondertussen wordt het brons gesmolten in een oven tot ongeveer 1150–1250 graden Celsius. Het vloeibare metaal wordt vervolgens via de giettrechter in de mal gegoten, waar het alle holtes opvult.
Het vrijmaken en afwerken. Na het afkoelen wordt de vuurvaste mal verwijderd en komt het bronzen beeld tevoorschijn, inclusief de giet- en ontluchtingskanalen. Deze worden verwijderd met slijpgereedschap. Eventuele openingen of luikjes worden dichtgelast. Daarna wordt het oppervlak verder bewerkt: geciseleerd, geschuurd en eventueel gepolijst of gezandstraald totdat het beeld helemaal naar wens is.
Patineren. Brons heeft van zichzelf een geelachtige kleur. Door het te patineren kan het beeld allerlei kleuren krijgen, van groen tot bruin of zwart. Dit gebeurt door het beeld te verhitten en chemicaliën aan te brengen. Tot slot wordt er een waslaag aangebracht, die het oppervlak beschermt en een mooie glans geeft.
















